In 1986 wordt op initiatief van
de architect Philippe Rotthier de Fondation pour l'Architecture opgericht. De
openingstentoonstelling "architectuurlandschappen" brengt een thematische
selectie van de meest opmerkelijke tekeningen en maquettes uit de collectie van
de Archives d'Architecture Moderne. Twintig jaar later is de collectie van de
AAM aanzienlijk uitgebreid, en omvat vandaag bijna twee miljoen documenten. Ze
is één van de belangrijkste Europese collecties van architectuurtekeningen
en biedt een kijk op de vindingrijkheid en diversiteit van de Belgische architectuur
tussen 1860 en 2007. De 200 geselecteerde tekeningen en maquettes zijn van een
uitzonderlijke rijkdom, zowel door de hoeveelheid en verscheidenheid van de ontwerpen
en programma's, als door hun esthetische kwaliteit. Sommige tekeningen zijn ware
kunstwerken op het vlak van de tekentechniek en het kleurgebruik. De laatste jaren
is de interesse voor architectuurtekeningen en maquettes steeds gegroeid, wat
blijkt uit het grote aantal internationale tentoonstellingen.
De tentoonstelling
groepeert de meest opmerkelijke tekeningen van bijna honderd architecten, waaronder
die van Joseph Bascourt, Albert Bontridder, Victor Bourgeois, Renaat Braem, Gaston
en Maxime Brunfaut, Peter Callebout, Jean Canneel, Alban Chambon, Louis Herman
De Koninck, Charles De Meutter, Lucien François, Emile Goffay, Paul Hamesse,
Gaston Ide, Sta Jasinski, Ernest Jaspar, Henry Lacoste, Servais Mayné,
Antoine Pompe, Georges Ricquier, Charles Van Nueten, Jules Jacques Van Ysendyck
en meerdere hedendaagse architecten.
ARCHITECTUUR LEREN
Het architectuuronderwijs
gebeurt in de Academies voor Schone Kunsten rondom het concept van de vormstudie.
De meest briljante studenten nemen deel aan de Grand Prix de Rome die verbeeldingsoefeningen
beloont. Als studenten van La Cambre, de Academies van Brussel, Antwerpen of Luik,
of de École des Beaux-Arts in Parijs, tonen Charles De Meutter, Maxime
Brunfaut, Gustave Herbosch, Servais Mayné, Emile Van Leemputten en Paul
Mignot hun ontwerpen aan de hand van verbluffende tekeningen.
DE DON
JUANS DER STIJLEN
Op het einde van de 19de eeuw bevrijden veel Belgische
architecten zich van de nationale stijl, de Vlaamse Renaissance, om te proeven
van de geneugten van het eclecticisme met zijn stijlenmozaïek. De architecten
van het eclecticisme zijn onder andere Alban Chambon, Joseph Bascourt in de wijk
rond de Cogels-Osylei in Antwerpen, Max Winders, Jules Jacques Van Ysendyck, Félix
Laureys, Ernest Acker, Ernest Hendrickx,
DE ZWEEPSLAGSTIJL
Dankzij
de zweepslaglijn ontstaat een nieuwe dynamiek in de architectuur - de art nouveau
is geboren. Victor Horta is een van de eersten om met kracht de nieuwe lijn te
beheersen, zowel in het metaal, het hout als de steen. Vervolgens proberen ook
andere getalenteerde architecten, zoals Joseph Bascourt, Ernest Blérot,
Ernest Jaspar, Richard Pringiers en Jules Brunfaut te ontwerpen in dit nieuwe
vocabulaire.
DE TUINWIJK ALS ALTERNATIEF VOOR DE WANORDELIJKE STAD
Na
de oorlog is de heropbouw van de vernielde steden één van de grootste
kopzorgen. De Belgische architecten, waaronder Antoine Pompe, Victor Bourgeois,
Lucien François, L.-H. De Koninck en Jean Jules Eggerickx, zoeken inspiratie
in Engeland en Nederland, en kiezen het model van de tuinwijk als dubbele oplossing
voor de heropbouw en de nood aan arbeiderswoningen.
WEES MODERN!
In
de jaren '20 focussen de modernistische architecten hun aandacht op het probleem
van de privé-woning. Het gaat hoofdzakelijk over kleine rijtjeswoningen
op een perceel met een gevelbreedte van 5 à 6 meter. Louis-Herman De Koninck,
Victor Bourgeois, Jean Canneel en Charles Colassin bouwen hun eigen huis als een
modernistisch manifest, en ontwerpen het als een type van een minimumwoning.
ART
DECO EN LEVENSKUNST
De art deco zegt de Belle époque vaarwel, en
behaagt het verlangen naar pronkzucht en huiselijk comfort van een cosmopoliete
bourgeoisie, die verleid was door de Parijse luxe op de Exposition des Arts décoratifs
in 1925. De taal van de art deco, met de typische in elkaar grijpende kubussen
en prisma's, wordt toegepast in heldere villa's, hotels, bioscopen, garages, stadhuizen
en flatgebouwen, waar de architecten Paul Hamesse, Antoine Courtens, Maxime Brunfaut,
Maurice Gaspard, Lucien François, Henry Lacoste en Gaston Ide in uitblinken.
DE
STAD ALS WOONMACHINE
Le Corbusier beschouwt de stad als een landschap dat
moet geordend worden, een woonmachine die samengesteld is uit autonome functies
die door groenzones van elkaar afgescheiden worden. Hij wil een compacte stad,
in de hoogte gebouwd, met veel wolkenkrabbers. Begin jaren '30 tekent Renaat Braem,
een leerling van Le Corbusier, ontwerpen voor een productivistische lijnstad van
100 km lang tussen Antwerpen en Luik. Andere adepten van het rationalisme die
de stad een nieuw gezicht geven, zijn Gaston Brunfaut, Georges Ricquier, Lucien
De Vestel en Victor Bourgeois.
DE WERELDWIJDE ONTMOETING VOOR DE VREDE
Na
de angst voor een derde wereldwijd conflict, leeft in de jaren '50 opnieuw het
optimisme voor de eerste naoorloge Wereldtentoonstelling. Er ontstaat een "58-stijl",
die gekenmerkt is door het verwerpen van de vooroorlogse monumentale symmetrie,
het toepassen van schuine en gebogen wanden, het glas, gladde en gekleurde materialen
als het geëmailleerd eternit, en de opkomst van spanstructuren en hyperbolische
schelpen. Architecten die spectaculaire gebouwen ontwerpen, zijn Renaat Braem,
Emile Goffay, Sta Jasinski, Maxime Brunfaut, Charles Van Nueten en Charles De
Meutter.
DE VEROVERING VAN DE HEMEL
Als Europese hoofdstad in
1958, moet Brussel zich aan haar nieuwe internationale opdracht aanpassen. Slechts
weinig verantwoordelijken zien de gevolgen in van komst van de Europese instellingen
in de Wetstraat nabij het Jubelpark. De in autonome gemeenten onderverdeelde hoofdstad
is niet voorbereid om aan dermate grote veranderingen het hoofd te bieden. Elke
burgemeester droomt van zijn eigen wolkenkrabber die het stadhuis, een abdij of
een openbaar park verplettert. Door de uitbreiding van de Europese instellingen
in de buurt van de Wetstraat, bedacht de stad Brussel vanaf de jaren '70 een inrichtingsplan
voor projectontwikkelaars. Het "Manhattan-project", dat de volledige
Noordwijk in beslag neemt, is als een zakendistrict bedacht. De bezoekers kunnen
voor het eerst de immense maquette (3x6 meter) van de Noordruimte zien, die uitzonderlijk
door de groep CDP uitgeleend wordt.