Het culturele project Yambi / Congo-Wallonie-Bruxelles
2007, een initiatief van de Franse Gemeenschap van België wil de artistieke
creaties van Congo in de kijker zetten. Het CIVA organiseert in dit kader een
nieuwe tentoonstelling over stedelijke landschappen in Congo. Het thema wordt
belicht vanuit verschillende oogpunten - gekruiste blikken - die historisch én
hedendaags zijn. 11 jonge Congolese en 3 Belgische kunstenaars werkten mee aan
dit project.
Een gedeeld erfgoed ?
In februari 2005 werd
het ruiterstandbeeld van Leopold II in het centrum van de Congolese hoofdstad
geplaatst. Vierentwintig uur later werd het opnieuw verwijderd. Deze anekdote
vertelt veel over de dubbelzinnigheid van de relatie tussen België en zijn
kolonie, en over het koloniale erfgoed en de beeldvorming erover. Kan men spreken
over een " gedeeld erfgoed " zoals men vandaag vaak suggereert tijdens
debatten die internationale organismen, zoals het ICOMOS (International Council
on Monuments and Sites) organiseren? En welke herinnering roept dat erfgoed op?
Hoe kan met het evalueren en naar waarde schatten? In de ogen van de Congolese
bevolking, die een vreemde cultuur kreeg opgedrongen, is dat patrimonium ook verontrustend.
Deze
vragen staan weliswaar los van de intrinsieke waarde van de koloniale architectuur
en het urbanisme, die integraal deel uitmaken van de architectuurgeschiedenis
van de XXe eeuw maar vormen wél een uitdaging voor de bescherming en de
restauratie van dit erfgoed. Deze thema's lopen als een rode draad door deze tentoonstelling
over de stedelijke landschappen in Congo.
Gekruiste blikken
De
tentoonstelling krijgt vorm dankzij vele grafische en literaire getuigenissen
(archiefdocumenten, foto's, plannen, maquettes,
), die honderd jaar stadsgeschiedenis
in Congo bestrijken. De nadruk ligt op Kinshasa, Lubumbashi en Kisangani, drie
belangrijke steden langs de Congorivier. Belgische en Congolese kunstenaars uit
die drie steden bieden een persoonlijke hedendaagse visie op de stedelijke landschappen
en wensen een dialoog op gang te brengen rond dit "gedeelde erfgoed"
en de gemeenschappelijke geschiedenis. Zij doen dit aan de hand van foto's, schilderijen,
strips
.
Men staat hier ook stil bij het meer algemene vraagstuk rond
de stedenbouwkunde in Afrika. Hoe staan de Congolezen tegenover hun koloniale
patrimonium? De koloniale ingrepen structureerden hun steden en op dat stramien
ent zich vandaag de hedendaagse stad.
Hoe ziet men dit patrimonium en de
stadsontwerpen die een hele wereld en een levenswijze oproepen? Wat zijn vandaag,
naast de koloniale machtssymbolen, de nieuwe stedelijke betekenisdragers in een
maatschappij met steeds meer mensen en enorme uitdagingen?
In deze tentoonstelling
krijgen architecten en urbanisten, die projecten in Congo op het getouw zetten,
opnieuw een naam. Hun projecten zijn waardevol, maar noch het Belgische, noch
het Congolese publiek kent hen werkelijk.
Vijf thema's komen aan
bod in deze tentoonstelling:
1. In de tropen bouwen
Vele
Europeanen stierven toen ze in Centraal Afrika aankwamen. Zij waren niet bestand
tegen de klimatologische en sanitaire omstandigheden. Onderzoek werd dus verricht
naar oplossingen om hen te doen wennen aan die nieuwe wereld.
In dit deel
van de tentoonstelling krijgt u een zicht op de woningevolutie. Aan het einde
van de XIXe eeuw moest de woonst een schuilplaats in de tropische omgeving zijn.
Na de oorlog maakte het "tropisch modernisme" opgang. Dit genre integreerde
technische vooruitgang zoals airconditioning en dynamisch onderzoek naar de beeldvorming
over het "Nieuwe Congo". Een beeld dat door de koloniale propaganda
werd geïdealiseerd.
2. De blanke woning, een " thuis "
De
notie van geestelijk welzijn beïnvloedde al heel vlug de architectuur in
Congo. Men wilde dat de Belg zich "thuis" voelde in de kolonie. Zo konden
ze zich met een gerust gemoed aan hun werk wijden. Hij mocht zich niet ontworteld
voelen. De residentiële architectuur in Congo imiteerde die uit het Belgische
thuisland.
Rond 1920 kenden de Congolese steden een grote ontwikkeling.
De Europese wijken zagen het licht. De komst van vrouwen en kinderen naar de kolonie
drukte een stempel op de reflectie over de woonst. Het "tropisch modernisme"
dat zich vanaf de jaren '40 opdrong, vond men vaak terug in bouwopdrachten voor
woningen uit die tijd, maar toch minder dan in de openbare gebouwen.
In
het begin van de jaren '50 kende Congo een grote economische bloei die zich vertaalde
in een spectaculaire prijsverhoging in de immobiliënsector. De investeerders
begonnen in de hoogte te bouwen. De eerste appartementsgebouwen verschenen en
boden evenveel of meer comfort dan de woningen in België.
3. Samenleven,
apart
Sinds de jaren '20 zag men een duidelijk verschil tussen het
Europese deel en de inheemse stad in de stadsplannen, De indeling van de Congolese
stad stoelde op het principe van zoneringen en kende goed onderscheiden wijken.
De ene wijk lag ook ver verwijderd van de andere.
Deze scheiding vertaalde
zich ook in de inrichting van woningen. Voor de Europese stad verrichtte men architectuuronderzoek.
Maar de hoofdbekommernis voor de autochtone stad bleef de hygiëne en de economie
en op de achtergrond de wens om de bevolking te controleren.
Na de tweede
wereldoorlog kende de kolonie een woningcrisis. Vooral in de steden groeide de
Congolese bevolking heel snel. De bouw van inheemse wijken werd vanaf dat moment
een prioriteit van de autoriteit.
Aan de vooravond van de onafhankelijkheid,
zouden de geleverde inspanningen onvoldoende lijken.
4. "Koloniseren
is beschaven"
Of het nu een voorwendsel was of een ideologie, de
koloniale ervaring in Belgisch Congo werd vooral beleefd als een "beschavingsmissie".
Het is dus niet verwonderlijk dat de koloniale machthebbers zich snel met geneeskunde,
onderwijs en cultuur gingen bezig houden.
Dankzij deze beschavingsmissie
bestaat het belangrijk architecturaal erfgoed ook vandaag nog. Scholen, universiteiten,
culturele ruimtes, ziekenhuizen en dispensaria werden voor een groot deel gebouwd
in het kader van het Eerste Tienjarige Plan uit 1948 voor de Economische en Sociale
Ontwikkeling van Belgisch Congo. Tot aan de vooravond van de onafhankelijkheid
bleef de belangrijkste uitdaging van de kolonisator de "westerse cultuur"
over te dragen. Maar toch ziet ook een nieuwe tendens het licht. Die zoekt toenadering
tussen de culturen en brengt ook een nieuwe architecturale stijl in zwang.
5.
Machtruimtes
Van bij het begin van de " Verdeling van Afrika
", de volkse uitdrukking voor de "Conferentie van Berlijn" in 1884-85,
maakten de verschillende koloniale mogendheden gebruik van de architectuur om
hun macht uit te dragen en te gronden.
Na de oprichting van de onafhankelijke
staat Congo (l'Etat Indépendant du Congo EIC) in 1885 begreep Leopold II
al snel dat de koloniale afdelingen in internationale of universele tentoonstellingen
een middel waren om zijn koloniale werk onder de aandacht te brengen van een internationaal
en Belgisch publiek.
In 1897 ontdekte dat publiek Congo in de "koloniale
tentoonstelling" in Tervuren. Op de achtergrond klonk de "beschavingsboodschap".
Die zou men ook later nog, tijdens de wereldtentoonstelling in '58 in Brussel
horen. In 1910 opende het indrukwekkende Congomuseum in Tervuren zijn deuren.
De architect Charles Girault ontwierp het voor Leopold II. Het werd een machtig
propagandamiddel. Vandaag nog vormt dit museum het geheugen van het Belgische
koloniale verleden.
De verschillende paviljoenen die tijdens deze universele
tentoonstellingen werden gebouwd, zorgden ervoor dat de architecten een standpunt
gingen innemen over het beeld dat ze konden uitdragen. De gebouwen en paviljoenen
die tussen 1885 en 1958 werden ontworpen, drukten een stijlevolutie uit. De architectuur
moest monumentaal zijn en het land Congo voor de geest roepen.
De kunstenaars:
aanzet tot een dialoog
Blanchard Labakh Buana'h met de bijnaam Mega /
Basikababa Alphonse met de bijnaam Papy / Lobela Babelu Dody met de bijnaam LBD
/Soku Liandja Henri met de bijnaam Soku / Kura Shomali / Trésor Tshibangu
Tshamal met de bijnaam Tétshim / Kiat Wandand / Maître Ekunde / Kaouma
/ Patrick Mudekereza
Axel Caitleux / Jean Kristine / Marie-Françoise
Plissart
De meeste hier tentoongestelde werken werden in opdracht van
het CIVA en speciaal voor deze tentoonstelling gemaakt. Zij werden met grote zorg
op verschillende plaatsen in het parcours geplaatst. Zij willen een dialoog op
gang brengen tussen de twee gemeenschappen en brengen bespiegelingen rond het
"gedeeld erfgoed".
De meeste Congolese en Belgische kunstenaars
behoren tot de postkoloniale generatie. De meesten werden eind jaren 70 geboren.
Zij bieden ons een bijzonder hedendaagse en persoonlijke blik op het dagelijkse
leven in de drie steden. Zij gebruikten verschillende technieken: Blanchard Labakh
is een fotograaf en maakte voor de tentoonstelling een reportage rond industriële
landschappen in Kinshasa. Anderen leveren strips, zoals Lobela Babelu Dody of
Tétshim die zoals de regisseur Patrick Mudekereza deel uitmaken van een
collectief kunstenaars uit Lubumbashi, de Vicanos Club. Mudekereza leidt er ook
stripseminaries. Anderen tekenen, maken collages, schilderen en beeldhouwen zoals
Soku, Maître Ekunde en Kura Shomali. De laatste heeft een intens kunstenaarsparcours
in Congo en stelde tentoon in Beglië, in de KVS, en in Frankrijk.
Met
de steun van
Yambi Congo - Wallonie Bruxelles 2007 / La Communauté
française de Belgique- De Franse Gemeenschap van België / De Franse
Gemeenschapscommissie La Commission Communautaire française / Le Commissariat
général aux relations internationales (CGRI) / La Région
de Bruxelles - Capitale - Brussels Hoofdstedelijk Gewest/ Het college van Burgemeester
en Schepenen van Elsene -Le Collège des Bourgmestre et Échevins
d'Ixelles / Universiteit Gent -de Vlaamse Gemeenschap
Met de hulp van
Georges
Forrest / Arter / La Loterie Nationale- de Nationale Loterij /Sigma Coatings /
Invicta / Duvel /mediacongo.net